El Angliru 1998

Aan een dun touw snokt Pavel Tonkov
zich omhoog, langs de afgrond van het ravijn
door een haag van mist en miezerregen
onder een grijze lucht die tegen het asfalt drukt.

Zijn shirt kleeft aan mijn rug. Ik proef de zure smaak
van braaksel. Mijn benen zijn als lood. Mijn slapen
staan op springen. Schimmen aan de muur.
Monden schreeuwen taal die geen houvast biedt.

Beneden mij loert het gevaar. Hoe ik ook vloek
en bid of liedjes zing, bij iedere trap trek ik
het aan, bij elke ruk aan het stuur. Ik die weet
van tijd noch uur, knijp de lippen op elkaar.

Vlak voor de meet duikt hij uit de nevel op,
tikt mij even aan. Geroerd houd ik de trappers
stil. Een stalen stem balkt vanaf een leeg bordes
zijn zoete naam: José Maria Jiménez.


Albert Megens